Ga naar de startpagina
Bosgroep Zuid Nederland
terug
Schermafbeelding 2025-11-12 om 15.02.11

Wat hadden we in die laatste flink buiige week van oktober een geluk. Niet alleen de deelnemers aan het Limburgs Bossensymposium hadden er zin in, ook het weer was ons uitstekend gezind. En dat was maar goed ook, want tijdens het middagprogramma maakten we een leerzaam rondje langs de experts buiten in het bos.

Maar laten we beginnen bij het begin: de vraag van Provincie Limburg of we vanuit Bosgroep Zuid Nederland voor en samen met ze een Bossensymposium wilden organiseren voor terreinbeheerders, onderzoekers, beleidsmakers en vrijwilligers. Gezien onze waardevolle samenwerking met én binnen de provincie, wilden we dat zeker. Vervolgens gingen onze Limburgse bosecoloog Etiënne Thomassen en onze regiomanager Limburg Johan Arts aan de slag om er een onvergetelijk programma van te maken. En dat is ze gelukt, daar was iedereen het er aan het einde van de dag over eens. Met dank aan de Provincie (als opdrachtgever én samenwerkingspartner), tal van collega’s* én alle sprekers.
*) Bedankt Celesta, Gemmy, Luuk, Marrie, Leon, Nathalie, Bor, Annelinde, Evie, Lisa, Veronica en Dion!

Panel

Bosrevitalisatie als speerpunt

De eerste ronde vond binnen plaats. Dagvoorzitter Harrie Hekhuis (Staatsbosbeheer) opende de dag, wethouder Jan den Teuling heette iedereen welkom namens gemeente Leudal en gedeputeerde Léon Faassen onderstreepte nog eens het belang van de Limburgse aanpak Bossen, waarin bosrevitalisering een speerpunt vormt. Hij benadrukte dat kennisdeling en praktische initiatieven centraal staan. 

Vervolgens zorgden de volgende sprekers voor de nodige verdieping én inspiratie:

  • Jan den Ouden (WUR) benadrukte de zware druk op de Limburgse bossen, maar onderstreepte dat revitaliseren betekent: vernieuwen, veerkracht teruggeven. Niet een Frankenstein-monster, maar eerder een Adonis die nieuw leven brengt.
  • Vera van Luijk stelde zich voor als de kersverse bosmakelaar van Provincie Limburg. Ze vertelde over haar verbindende rol om mensen, kennis en middelen samen te brengen en zo sneller en effectiever te werken aan meer en beter bos.
  • Bart Muys (KU Leuven) onderstreepte het belang van een slimme boomsoortenmix, omdat klimaatverandering vraagt om meer diversiteit en het selecteren van soorten die passen bij het toekomstige klimaat.
  • Dion van Staveren (Bosgroep Zuid Nederland) verduidelijkte tot slot hoe de bossen langs de beken in het Natura 2000 gebied Leudal samen met eigenaren door zonering kunnen groeien in blijvende vitaliteit met genetische diversiteit van autochtone bomen en struiken.

De presentaties zijn hier te downloaden.

Bos

Samenwerken aan bosherstel

De excursie door het Leudal vormde een passend slot van de dag. Buiten werd zichtbaar waar al dat samenwerken uiteindelijk om draait. Bosherstel begint met mensen die elkaar weten te vinden in beleid, in uitvoering en in het veld. Vanuit die verbinding blijven we in Limburg werken aan bossen die niet alleen toekomstbestendig zijn, maar ook bossen die floreren.

Hieronder hebben we nog een paar vragen (die gesteld werden) mét antwoord geformuleerd:

Bij aanplant van nieuwe soorten… wanneer kies je voor autochtone bomen, wanneer voor klimaatslimme bomen en wanneer een mix aan beide?
René van Loon van Ecologisch Adviesbureau van Loon: De boodschap is vooral: wees zuinig met de autochtone bomen die je hebt in je gebied, bescherm ze en behoud ze. Deze bomen laten op natuurlijke wijze zaden vallen dus op deze plekken wil je deze soorten wel de ruimte blijven geven zich op natuurlijke wijze uit te breiden. Hier plant je minder snel klimaatslimme soorten. Op plekken waar bos achteruit gaat qua kwaliteit, denk aan verzuring, daar wil je soorten planten met goed afbreekbaar blad. Daar kan gekozen worden voor een mix aan klimaatslimme soorten en autochtone soorten. Door een mix aan soorten aan te planten gaan we ervan uit dat er altijd wel wat overlevers tussen zitten wat voor klimaat we ook in de toekomst krijgen.

Bever

De bever heeft zijn leefgebied in het beekdal waar ook zeer oude eiken staan en zeer bijzondere wilde bomen als winterlinde en fladderiep. Hoe kan ik als beheerder zorgen dat deze bomen bewaard blijven in een gebied waar de bever actief is?
Willy De Koning-Bovenhoff (vrijwilligster): De bever knaagt bomen om zodat zijn voedsel, de bast en bladeren van kleine takjes hoger in de boom, naar beneden komt. Hij knaagt hiervoor het liefst aan wilgen en populieren, die zacht hout hebben. Om zijn tanden te slijpen heeft hij echter ook soms harder hout nodig en knaagt hij aan bijvoorbeeld eik en beuk. Ook als de zachthoutsoorten op zijn gaat hij aan andere soorten knagen. De enige manier om zeldzame of oude bomen te beschermen is het plaatsen van een beverbestendige korf om de boom. Deze moet gemaakt zijn van stevig gaas zoals dassengaas. Hierdoor kan de bever de bast niet afvreten. Met hydrologisch herstel en aangepast beheer kan er ook voor gezorgd worden dat zachthoutsoorten beter verjongen en dat het voedsel voor de bever dus sneller terug groeit, hierdoor is er voor de bever ook minder noodzaak om aan andere soorten te knagen.

Frits-Lisa

De eigenaar van dit stukje bos is al 15 jaar bezig met stapsgewijs omvormen van naaldbossen naar loofbos en er is een prachtige verjonging te zien. Toch staat er ook nog een opstand Corsicaanse den op de rand van het plateau. Wat kunnen we daar nog mee doen?
Rentmeester Frits Venner en Lisa Raats (Bosgroep): Vanuit Bart Muys werd meegegeven dat de Corsicaanse den straks nog één van de weinige klimaatbestendige naaldhoutsoorten is. Het behoud van zo’n reeds bestaande ‘bosopstand met een bosklimaat’ als basis voor een geleidelijke omvorming naar meer loofhout door beperkte dunning in combinatie met aanplant is pas echt klimaatbestendig beheer.

Brandweer

Hoever ga je met natuurbrandbeheersing in een natuurgebied?
Sraar Theeuwen van Veiligheidsregio Limburg Noord gaf duidelijk aan dat er veel natuurbranden voorkómen kunnen worden wanneer gefocust wordt op de zone naast de paden. Paden vormen een natuurlijke barrière voor vlammen, alleen moet langs deze paden de begroeiing goed terug gesnoeid worden. Er hoeft echt niet in het hele bos wat te gebeuren qua maatregelen, maar wel in bepaalde zones zodat je branden kan remmen.

Leon

De bodems van het Leudal zijn op korte afstand zeer verschillend van elkaar. Zien we in de bodems waar de afbraak al beter op gang komt al een toename van het bodemleven en dan met name pieren?
Leon van den Berg (Bosgroep): Er zijn zandbodems met een erg laag en middelhoog leemgehalte. Juist de combinatie met de aanplanten van grove den, lariks of eik laat een totaal verschillend afbraakproces in de bovenste 30 cm van de bodem zien. Er zijn dikke, nauwelijks afgebroken humuslagen of juist dunnere, redelijk goed afgebroken humuslagen aanwezig.
Het bodemleven verandert onder invloed van de boomsoorten die er staan. Zure bodems bevatten weinig wormen en al helemaal geen diepgravende wormen. De wat rijkere, beter gebufferde bodems bevatten meer wormen. Echter doordat de boomsoorten zoals eik, grove den en lariks zuur strooisel leveren zullen er nooit regenwormen (diepgravers) in de bodem voorkomen, daarvoor is het bodemsysteem te zuur. Als we hier rijk-strooiselsoorten zouden aanplanten zoals linde of kers dan zul je zien dat de bodem beter gebufferd raakt en het aandeel wormen toeneemt. De beesten kunnen dan de bospercelen herkoloniseren. Er is echter nog weinig onderzoek gedaan naar herkolonisatie van bosbodems en of alle organismen dit kunnen. Dit soort onderzoek zou ons wel kunnen helpen om meer op bodemleven gerichte herstelmaatregelen te kunnen treffen.

De bodems op de flanken in het beekdal van het Leudal zijn relatief leemrijk. Wil je hier wel bodems herstellen of gaat dit herstel vanzelf?
Leon van den Berg (Bosgroep): De bodems op de flanken zijn relatief leemrijk en nog redelijk goed gebufferd. De rijkdom is dermate hoog dat we hier geen maatregelen hoeven te treffen als steenmeel. De boomsoorten op deze flanken zijn eik, berk en grove den (soms nog enkele lariks of douglas). Op de berk na zijn dit soorten met een relatief zuur strooisel. De berk is geen echte rijkstrooiselsoort, eerder een middenmotor. De spontane ontwikkeling van dit systeem (zonder maatregelen) is die van een soortenarm eiken-dennenbos met een relatief zure strooisellaag. Als we de buffering in de bodem willen verbeteren zullen we hier wel moeten ingrijpen in de boomsamenstelling. Juist in deze bodems (met leem) is hier een groot effect te verwachten. Naast ingrijpen voor de bodemkwaliteit kun je dan meteen ingrijpen voor de diversiteit en daarmee de opstanden klimaatrobuuster maken.