terug
grasland

Het seizoen voor natuurgraslandbeheer staat weer voor de deur. Deelnemers van de Bosgroepen aan het landelijke Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) zijn verplicht om deze graslandbeheertypen in stand te houden en geen handelingen te verrichten of te gedogen die afbreuk doen aan de instandhouding daarvan. Gelukkig zien we bij het volgen van goed beheer veel positieve ontwikkelingen. Uit onze veldcontroles en monitoring SNL blijkt wel dat de kwaliteit van veel natuurgraslanden nog (te) laag is. Daarom passen de Bosgroepen deze beheerrichtlijnen aan.

In de praktijk komt het nog te vaak voor dat er een soort van agrarisch natuurbeheer gevoerd wordt met vaste maaidata, vaste aantallen vee per hectare en het uitspreiden van ruige stalmest, maar zonder chemische onkruidbestrijding. Dit, terwijl er een natuurbeheer zou moeten plaatsvinden dat gericht is op het verhogen van de biodiversiteit. Daarom passen de Bosgroepen de beheerrichtlijnen voor graslanden aan. U zult hierin een aantal gebruiksbeperkingen teruglezen voor beweiding, bemesting en maaien.

Beweiding kent in veel natuurgraslanden beperkingen. Een veelgemaakte fout in de praktijk is een te hoge graasdruk. In natuurgraslanden is de graasdruk beperkt tot 1GVE/ha of zelfs 0.5 GVE/ha op jaarbasis, vaak pas vanaf april. Beweiding heeft als doel het kort houden van de grassen, het bevorderen van kruidenvegetatie en -op een extensieve manier- ook het laten ontstaan van structuur in de vegetatie. Bij een te hoge productie van uw grasland (> 5 ton droge stof/ha), is (alleen) extensieve beweiding onvoldoende om verruiging en vervilting te voorkomen en dient u eerst te verschralen door middel van maaien en afvoeren.

Bemesting van natuurgraslanden is níet toegestaan, ook niet met ruige stalmest. Een uitzondering betreft het type N13.01 Weidevogelgrasland. Voor de beheertypen Kruiden- en faunarijke graslanden, Vochtig hooiland en Glanshaverhooiland geldt dat toedienen van ruige mest alleen is toegestaan als uit ecologisch en/of bodemonderzoek is gebleken dat dit noodzakelijk is voor instandhoudingsbeheer.

Maaien voert u het beste uit op een gefaseerde manier zodat er altijd 15-20% van de oppervlakte van een perceel overstaand gras/kruiden is voor de fauna en zaadzetting. Alleen bij een hoge productie van het gras (> 5 ton droge stof/ha) is het gewenst om vaker en vroeger te maaien en af te voeren, om zo het grasland te verschralen. Vaker en vooral eerder maaien kan alleen op advies van een ecoloog.

Beheerrichtlijnen per beheertype

Speciaal voor onze leden die SNL-subsidie ontvangen, hebben wij per beheertype een beheerrichtlijn opgesteld. Hiermee willen we eigenaren/beheerders helpen, aangezien er vanuit de subsidievereisten geen voorschriften zijn over hóe het beheertype in stand moet worden gehouden. Zoals hierboven aangekondigd, vervangen we de beheerrichtlijnen voor graslandbeheer. De nieuwe versies, met daarin de beperkingen voor beweiding, bemesting en maaien (zoals hierboven toegelicht) per beheertype verwoord, zijn binnenkort te vinden op de website.

Vragen?

Wilt u meer informatie of heeft u nog vragen? Neem dan contact op met de Contactpersoon SNL van uw Bosgroep. De Bosgroepen kunnen altijd een maatwerkadvies voor u opstellen. Hiervoor zal een offerte worden uitgebracht.