Velddag gezonde bosgroeiplaats met LNV en provincies

23 mei 2022

De opstand ziet er goed uit, maar hoe gezond is eigenlijk de bodem? Met die vraag in gedachten trokken medewerkers Bossenstrategie van LNV en provincies samen met de Bosgroepen op dinsdag 17 mei het veld in. Iedereen kan zich vinden in de opgave van het Uitvoeringsprogramma Bossenstrategie om de vitaliteit van het Nederlandse bos te verbeteren. Vitaal of veerkrachtig bos is weerbaar tegen toenemende bedreigingen zoals verdroging bij fijnspar en lariks, en eikensterfte. Maar hoe kun je een diagnose stellen van je bosgroeiplaats, en welke maatregelen voor herstel zijn mogelijk?

Versterken van veerkracht bossen

De veerkracht van bossen kan versterkt worden op diverse niveaus en via diverse maatregelen. De Bosgroepen hebben op grond van recent uitgevoerd onderzoek in de provincies Gelderland en Drenthe een ‘Beslisboom Revitalisering Bosbodem opgesteld. Deze beslisboom geeft potentiële maatregelen voor herstel, uitgaande van landschapsecologische en bodemchemische kenmerken. Zoals Harm Smeenge (Bosgroep Midden Nederland) stelt: “De ene groeiplaats is de andere niet. Via een systeembenadering kijken wij niet alleen naar het bodemtype. Uit onderzoek blijkt dat bodems nu meer op elkaar lijken dan voorheen en bodemtypes dus minder onderscheidend worden voor de abiotische condities. Belangrijk is ook op welke geologische formatie je je bevindt. Zo is ook de ene haarpodzol de andere niet: Rijn- en Oostelijke afzettingen verschillen in mineralogische samenstelling. Ook in arm zandlandschap is in de ondergrond nog veel variatie in rijkdom en potentie van de groeiplaats.”

Naast bodemtype, spelen ook verzuring van de bewortelbare zone, de bosgeschiedenis en nog vele andere aspecten een rol bij het vaststellen van de mogelijke herstelmaatregelen. Leon van den Berg (Bosgroep Zuid Nederland): “Op het tijdschaalniveau van een bosecosysteem is toepassen van steenmeel de minst duurzame maatregel en daarom de laatste stap in onze beslisboom. Toch is het aanbrengen van deze bufferende stoffen in bepaalde gevallen na veldonderzoek te adviseren. Nader bodemchemisch onderzoek moet dan uitwijzen wat gewenst is.”

Variatie aan bosgroeiplaatsen

In de middag werden drie heel verschillende, aan elkaar grenzende bosgroeiplaatsen beoordeeld. Onder schraal dekzand werden op 4 meter diepte bandjes van sterk lemig zand aangetroffen. Deze behoren tot de Formatie van Kreftenheye en bevatten relicten van de vulkanische afzettingen en calciumcarbonaat. In feite is hier sprake van ‘fossiel steenmeel’. Het grondwater zat op deze locatie echter te diep om deze kationen in het systeem te brengen. In een aangrenzende laagte zat deze basenhoudende formatie ondiep, maar door ontwatering was de bovengrond sterk verzuurd. Hier liggen hydrologische maatregelen, in combinatie met het vrijstellen van aanwezige rijk strooiselsoorten (hazelaar), voor de hand. Hiermee kan de kationenpomp voor buffering van deze verzuurde bovenlaag worden versterkt. Aanwezige doelsoorten (bosanemoon, gewone salomonszegel, dalkruid) staan nu vooral in bosranden en slootkanten en kunnen zich dan weer in het bos gaan vestigen.

Ook kansen buiten Natura 2000-netwerk

Op dit moment richten beleid en landelijke en provinciale regelingen zich op herstel van bossen in de verzuurde Natura 2000-gebieden. Maar ook buiten het Natura 2000-netwerk en de NNN liggen grote kansen om op korte termijn en met relatief eenvoudige maatregelen de veerkracht van bossen te verhogen. Rijke, matig rijke en arme groeiplaatsen liggen vaak in een mozaïek op enige afstand van elkaar. Een scan van de geologische substraten en semi-geïsoleerde laagten kan al veel inzicht bieden in potentiële herstelmaatregelen.