Monitoring brengt natuurwaarden in kaart én ecologen op bijzondere plekken

16 september 2021

Van het voorjaar tot het najaar zijn de ecologen van de Bosgroepen druk met SNL-monitoring op verschillende terreinen van leden die via de Bosgroepen SNL-beheersubsidie ontvangen. Het monitoren is een verplichting vanuit de subsidieregeling, uitgevoerd in opdracht van en gefinancierd door de provincies. Bij het in kaart brengen van de natuurwaarden komen de ecologen op zeer uiteenlopende plekken.

Marjolein van Os is ecoloog en coördinator van de SNL-monitoring (Subsidiestelsel Natuur- en Landschap) voor Bosgroep Midden Nederland. Penelope van Wijhe is ecoloog bij dezelfde Bosgroep. Ze vertellen graag wat er komt kijken bij monitoring, en wat ze dit jaar en voorgaande jaren voor bijzondere waarnemingen hebben gedaan. Het monitoringsseizoen is vrijwel afgelopen; nu volgt het uitwerken van alle verzamelde informatie.

Wat wordt er precies in kaart gebracht met de monitoring?

Marjolein: “Met de SNL-monitoring brengen we de natuurwaarden in de verschillende terreinen in kaart. We kijken dan naar flora, vegetatie, (bos)structuur, broedvogels en insecten. Vlinders, libellen en sprinkhanen zijn bijvoorbeeld belangrijke indicatoren voor de kwaliteit van een gebied. Waar we eerder gebruik maakten van een ‘handheld’ met een speciaal softwareprogramma, doen we de monitoring tegenwoordig met een speciale app op onze telefoon of tablet. Daarmee voeren we de verschillende soorten flora en fauna in op een digitale kaart. Waar mogelijk combineren we de SNL-monitoring ook met veldcontroles; we lopen er immers toch! Bij de veldcontroles kijken we of een terrein opengesteld is, en of het beheertype in stand wordt gehouden. Ook houden we altijd onze ogen open voor bijvoorbeeld exoten en andere opvallende dingen. Kansen en aanbevelingen die we kunnen gebruiken bij het beheer koppelen we terug aan de regiobeheerder.”
Penelope: “Ook het invoeren van vegetatie-opnames, wat onderdeel is van een vegetatiekartering, kunnen we tegenwoordig via een app doen. Na een dag in het veld zijn de gegevens gemakkelijk te exporteren en te uploaden naar onze interne ‘cloud’. Van daaruit kunnen we dan weer verder met het uitwerken en analyseren van de data.”

Marjolein (links) met de ‘handheld’ die nu is vervangen door de telefoonapp, zoals bij Penelope (rechts)

Hoeveel tijd besteden jullie aan de monitoring?

Marjolein: “Als coördinator ben ik verantwoordelijk voor de planning en bewaking, de contacten met provincies en bureaus, de interne verdeling van de werkzaamheden en de oplevering van gegevens. Ieder SNL-terrein moet in ieder geval eens per zes jaar gemonitord worden. De provincies maken hiervoor meerjarenplanningen, maar in de praktijk zijn er altijd weer bijzonderheden. Het is een flinke rekenpuzzel aan het begin van het jaar; welk terrein moet wanneer gemonitord worden en door wie? We krijgen voor zes jaar monitoringsbudget en moeten dat goed verdelen en verspreiden. De drukste periode is van mei tot en met augustus, dan is de meeste monitoring gaande, vooral van flora en fauna. Van september tot en met december zijn we bezig met het uitwerken van de gegevens. En vanaf januari zijn we druk met het opleveren van data en de voorbereidingen voor het nieuwe monitoringsseizoen. Zo ben ik eigenlijk het hele jaar rond bezig met SNL-monitoring!”
Penelope: “Als ecoloog bij de Bosgroep houd ik me grotendeels bezig met monitoring en kartering. Dat betreft dus een groot deel van mijn werkpakket. Ook ondersteun ik mijn collega-ecologen bij het verwerken van geologische en hydrologische data in de vorm van schematische dwarsprofielen van het terrein.”

Is er veel veranderd in de afgelopen jaren?

Marjolein: “De afgelopen jaren is het aantal SNL-leden enorm gegroeid, en de monitoringswerkzaamheden zijn daarmee ook toegenomen. We doen alle monitoring zoveel mogelijk met onze eigen medewerkers. Zo leren we de terreinen van de leden ook goed kennen. Soms moeten we onderdelen uitbesteden, zoals de broedvogelmonitoring, omdat er erg veel werk ligt. Dan maken we gebruik van een gespecialiseerde organisatie zoals Sovon, een ecologisch adviesbureau of zzp’ers die we goed kennen. Er komt tamelijk veel bij kijken om data leesbaar te maken; je kunt geen ruwe data terugkoppelen. Het is een flinke klus om alles op tijd op te leveren aan de provincie.”
Penelope: “We komen op zeer uiteenlopende terreinen, van droge heide tot moerasvegetaties en van open duin tot laagveenbossen. Dit jaar hebben voor het eerst met zijn drieën, collega Maarten Immerzeel, Marjolein en ik, een vegetatiekartering uitgevoerd van een groot duingebied bij Den Haag. Zo’n grote klus en het type gebied waren nieuw voor mij. Na oplevering aan de provincie koppelen we resultaten ook, in beknopte vorm, terug aan onze leden. Zo kunnen zij ook zien welke soorten we op hun terrein, en op welke plek, hebben ontdekt. Dat vinden ze vaak erg leuk om te weten.”

Voorbeeldkaartje met soorten (insecten) en locaties 

Wat zijn de leukste onderdelen van de monitoring?

Marjolein: “De monitoring is echt iets dat we samendoen; samen met veel collega’s, met de provincies en met andere terreinbeherende organisaties en ecologen. Alleen al hier in Ede, bij Bosgroep Midden Nederland, zijn bijna alle collega’s er meer of minder bij betrokken. We hebben de ecologen die het veld in gaan voor de monitoring, de kwaliteitscontroller, de GIS-medewerker die de data tot leesbare bestanden verwerkt en deze ook bij de NDFF aanlevert. En de regiobeheerders en beheerassistenten monitoren het onderdeel bosstructuur. We werken ook geregeld samen met collega’s van de andere Bosgroepen, waarbij we het monitoren van de terreinen verdelen op specialisme. Aangezien TBO’s zoals Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten ook SNL-monitoring moeten doen, en de terreinen van onze leden soms tussen hun terreinen liggen, delen we ook informatie met hen en werken we veel samen. De monitoring leidt vaak weer tot extra vragen en opdrachten. Bijvoorbeeld een aanvullende kartering.”
Penelope: “Een aanvullende kartering kan bijvoorbeeld bestaan uit een vegetatiekartering van een Natura 2000-gebied of onderzoek naar de aanwezigheid van reptielen in een bepaald gebied.”

Welke monitoring of bijzondere ontdekking staat je nog bij?

Penelope: “Omdat het werkgebied en de beheertypen zo divers zijn doen we regelmatig leuke en bijzondere waarnemingen. Dit jaar was de kartering in het duingebied bij Den Haag voor mij een van de hoogtepunten. Ik heb bijzondere soorten gezien waaronder de bokkenorchis (foto) en zeewolfsmelk. Daarnaast heb ik tijdens een monitoringsronde op de Veluwe vrij verse sporen van een wolf gevonden. En laatst kreeg ik nog hulp bij de vegetatiekartering van een heivlinder (zie leadfoto). Maar ook de raaf die krassend overvliegt en de dartelende hooibeestjes blijf ik geweldig vinden.”
Marjolein: “We stuiten regelmatig op bijzondere planten en dieren. Zo vonden we een aantal jaar geleden drie bijzondere libellensoorten op Landgoed Beekzicht: de gevlekte witsnuitlibel, beekoeverlibel en bandheidelibel. In Utrecht kwamen we eens een boommarter tegen die bramen aan het eten was.
Twee jaar geleden gingen we in het Amsterdamse Bos monitoren, in een gedeelte met veenmosrietland. Dat was behoorlijk lastig bereikbaar. We sleepten telkens een ladder en plank achter ons aan om op het volgende perceel te komen, door de zompige vegetatie en over sloten heen. Een deel van het terrein bestond uit eilanden waar we met een bootje, geleend van de beheerder, rond hebben gevaren. Ik ben collega Brian nog steeds dankbaar dat hij meeging! Dat is echt veldwerk dat je met z’n tweetjes moet doen. Normaal doen we het alleen, maar op die plek is dat niet verantwoord; echt avontuurlijk veldwerk!”

Uitdagingen tijdens monitoring in het Amsterdamse Bos

Dit bericht is ook verschenen op Nature Today.

labels: , , ,

gerelateerd