Gekoesterde vennen; de complexiteit van venherstel

Publicatiedatum: 17 augustus 2021

In ons land zijn prachtige vennen te vinden. Allemaal verschillend qua oorsprong, grootte, soortenrijkdom en samenstelling, maar stuk voor stuk van onschatbare waarde voor de biodiversiteit. Helaas gaat het met sommige vennen niet goed. Via complexe herstelprojecten leveren de Bosgroepen een waardevolle bijdrage aan het behoud van deze bijzondere biotopen en de zeldzame soorten die er thuishoren.

Wat het herstel van vennen zo complex maakt, zijn de kwetsbaarheid van vennen en hun omgeving en de grote onderlinge verschillen in ventypen, bedreigingen en mogelijke oplossingen. Er is ook geen vaste regel die bepaalt of iets een probleem is en hoe we dat dan op moeten lossen; het ene ven is het andere niet. Daarom kijken we heel zorgvuldig naar wat er speelt in de specifieke situatie van het ven en wat er nodig is om de hoogste natuurwaarden te bereiken. We zoeken dus naar de potenties van het ven en proberen via verschillende (herstel)maatregelen bij te dragen aan het realiseren van die potenties.

Situatie ven gedetailleerd in beeld via zorgvuldig onderzoek

Zorgvuldig onderzoek is daarbij onmisbaar. Deze onderzoeksfase bestaat uit verschillende onderdelen.

We starten doorgaans met een probleemverkenning. Dat gebeurt via overleggen met de eigenaar/beheerder, een quickscan in het veld van de vegetatie en het analyseren van bijvoorbeeld luchtfoto’s en de hoogtekaart. Dit geeft een eerste beeld van de huidige status van het ven.

Daarna volgt een gedetailleerd vooronderzoek, waarbij we kijken naar de bodemopbouw, bodemchemie, waterhuishouding, waterchemie, slibkwaliteit, windwerking, actuele en historische vegetatie en de aanwezigheid van vissen en amfibieën. Allemaal bepalende factoren voor het ven en dus belangrijke informatiebronnen.

Het vooronderzoek begint meestal met een bureaustudie. Daarbij verzamelen we informatie over de geografische ligging, de geologische opbouw, de ontstaansgeschiedenis en andere relevante kenmerken en aandachtspunten van het ven. Belangrijke bronnen zijn bijvoorbeeld het Actueel Hoogtebestand Nederland  (AHN), Dinoloket (geomorfologie en peilbuisdata), bodemkaarten, historische topografische kaarten, flora- en faunawaarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna  (NDFF) en al verschenen onderzoeksrapporten.

Daarna volgt een veldstudie met onder andere booronderzoek, metingen van het elektrisch geleidingsvermogen (EGV) en de zuurtegraad (pH) in boorgaten en oppervlaktewater en een kartering van de indicatorsoorten; de kenmerkende flora en fauna. Dat doen we eerst in samenhang. De combinatie van planten en dieren zegt veel over de kwaliteit en potenties van een ven. Maar we kijken ook naar de individuele planten en dieren, in relatie tot de maatregelen. De centrale vraag daarbij is; hoe gaan we aan de slag, rekening houdend met de aanwezige soorten?
De inventarisatie van de aanwezige vissen en amfibieën kan ook onderdeel zijn van het onderzoek. Dat gebeurt doorgaans op basis van Environmental DNA (eDNA).

Dan is de labstudie aan de beurt. Hier brengt een gespecialiseerde partner de biochemische kenmerken in kaart van het oppervlaktewater, het bodemslib en het porievocht van de waterbodem.

Het meten van de pH en EGV in een boorgat

Van onderzoek naar maatregelenplan

“Al die onderzoeken zijn dus bedoeld om goed in beeld te krijgen met welk type ven we te maken hebben, hoe het hydrologisch functioneert, wat de ontwikkelingen in de loop van de tijd vertellen en welke flora en fauna er voorkomen”, legt Tim Termaat uit. Als ecoloog bij Bosgroep Midden Nederland is hij nauw betrokken bij verschillende venherstelprojecten.

“We analyseren de data, bepalen de potentiële natuurwaarden van het ven en bekijken welke knelpunten deze potenties momenteel in de weg zitten. Op basis daarvan trekken we conclusies en stellen we een synthese op, die we vervolgens bespreken met de eigenaar/beheerder. Daarna verwerken we alle bevindingen in een maatregelenplan met daarin de ambities, de benodigde (herstel)werkzaamheden en aandachtspunten voor de uitvoering. Zo vraagt een dunne, ondiep gelegen, waterkerende laag in de venbodem om een voorzichtige aanpak, zodat deze laag niet lek raakt. En de aanwezigheid van bepaalde soorten betekent dat we in het project nauwkeurig moeten bepalen welke werkzaamheden er wanneer mogelijk zijn, zodat de verstoring minimaal is”.

Veelvoorkomende problemen

“Er kunnen tal van redenen zijn waardoor een ven het moeilijk heeft en niet goed tot ontwikkeling komt”, vult Rob van der Burg aan. Als expertmedewerker ecologie is hij één van de kartrekkers van de vele vennenprojecten in Zuid-Nederland. “En wat bij het ene ven om herstelmaatregelen vraagt, hoeft voor een ander ven helemaal niet per definitie negatief te zijn. Zo kan verbossing een aandachtspunt zijn, maar bos op een zuidoever biedt ook een verkoelend effect. Voor bepaalde soorten zoals een speerwaterjuffer is dat juist weer gunstig. En het langzaam dichtgroeien van een ven is voor sommige vennen een wenselijke ontwikkeling, terwijl een ander ven er juist door in de problemen komt. Soms is het zelfs zo dat je de verlanding in een deel van het ven wilt stimuleren en andere delen juist open moet houden, zoals bij het Beuven in Noord-Brabant. Je bekijkt dus per ven wat de situatie is en wat je daarmee kunt. De aan- of afwezigheid van planten, dieren en insecten zijn daarbij belangrijke indicatoren”.

Verdroging, droogte, vermesting en verzuring

“Verdroging, droogte, vermesting (eutrofiëring) en verzuring veroorzaken op dit moment de grootste problemen voor onze vennen, deels versterkt door de gevolgen van klimaatverandering”, legt Rob uit.

“Alhoewel het misschien hetzelfde klinkt, is er een duidelijk verschil tussen verdroging en droogte. Verdroging wordt veroorzaakt door ingrepen in het landschap, zoals het aanleggen van sloten en grondwaterwinning. Droogte ontstaat door minder regenval. Ze versterken elkaar en beide hebben een grote impact. Vennen vallen vaker droog, er zijn grotere waterstandschommelingen en er is minder doorstroming. Niet alleen vennen die afhankelijk zijn van regenwater hebben hier last van. De vennen die in contact staan met het grondwater merken het ook. Die kregen voorheen in de winter belangrijke stoffen zoals kalk aangevoerd, als de grondwaterstand hoog genoeg was. Nu de grondwaterstanden veel lager zijn, missen ze die bufferende stoffen, waardoor ze verzuren. En koolstofdioxide, dat voor hoogveenvennen van belang is, komt door de verdroging ook in mindere mate beschikbaar. Zo hebben droogte en verdroging op ieder ven een eigen impact”, licht Rob verder toe.

“Een belangrijke oorzaak van verzuring en vermesting is de hoge stikstofdepositie, met name in de vorm van ammoniak en ammonium. Dat verstoort de balans waardoor ongewenste soorten alle kansen krijgen. Bladinval kan de vermesting nog verder versterken, in de vorm van een sliblaag. Afbraakprocessen in de sliblaag zorgen voor het vrijkomen van veel nutriënten en trekken veel zuurstof uit het venwater. Hierdoor gaat de leefomgeving van veel planten en dieren sterk achteruit”.

Verlanding: het dichtgroeien van een ven

“Op zich is het dichtgroeien van een ven, ook wel verlanding genoemd, een natuurlijk proces, benadrukt Tim. “Zeker bij hoogveenvennen en zure vennen hoeft dit helemaal geen probleem te zijn. Sterker nog, de verlandingsvegetaties van bijvoorbeeld veenmossen, zeggen, fonteinkruiden, waterdrieblad, riet en mattenbies zijn zeer waardevol voor een ven en herbergen het gros van de biodiversiteit. Maar verlanding kan te ver doorschieten, meestal extra versterkt door onderliggende problemen, zoals eutrofiëring of verdroging. De vegetatie wordt dan monotoon of er ontstaat zelfs echt land. Je ziet dan bijvoorbeeld een dichte riet- of lisdoddevegetatie of berken- en dennenopslag in veenmoskragges”.

“We zien het verlandingsprobleem vooral bij vennen die van nature een kale zandbodem hebben waar pioniervegetaties groeien met waterlobelia, die tegenwoordig erg zeldzaam zijn”, vult Rob aan. “Dit type ven moet open blijven om het pionierkarakter in stand te houden. Een helpende hand kan dan uitkomst bieden om de balans weer terug te brengen”.

Verbossing

“Wat ook vaak voorkomt is dat de omliggende bosbegroeiing tot heel dicht of zelfs voorbij de venoever komt”, vertelt Tim verder. “Niet alleen gaat dit ten koste van de oevervegetatie, maar de struiken en bomen verbruiken ook veel water. Hun aanwezigheid zo dicht op het ven leidt dus zowel tot veel bladinval, als tot extra verdroging. Vennen die lokaal grondwater ontvangen, bijvoorbeeld vanuit aangrenzende dekzandruggen, kunnen baat hebben bij de omvorming van naaldbos naar loofbos op die ruggen. Een loofbos verdampt aanzienlijk minder water en vangt ook niet zoveel ammoniak in uit de lucht. Aan naaldbomen blijft meer ammoniak hangen, dat vervolgens in het ven terechtkomt”.

Recreatiedruk

Het intensief betreden van venoevers is een groeiend probleem. Mensen gaan met grote regelmaat de paden af om dichter bij het ven te komen. Soms met honden of te paard, maar steeds vaker ook met een voertuig. Dat heeft forse gevolgen voor de soorten die zich juist op de oever ontwikkelen. Na herstelwerkzaamheden is dit een extra punt van aandacht, omdat het ven en de oevers dan extra kwetsbaar zijn. Het (tijdelijk) afzetten van het vengebied kan dan uitkomst bieden.

Aanwezigheid invasieve exoten

Een andere problematische ontwikkeling is de aanwezigheid van invasieve exoten. Denk bijvoorbeeld aan de zonnebaars, die complete vennen leegvreet. En watercrassula die op steeds grotere schaal domineert en zowel in het water als rondom het ven voor grote problemen kan zorgen. Dit fanatieke plantje is uitermate inventief en kan zowel in het water als op het land gaan woekeren, waardoor de inheemse soorten het erg moeilijk krijgen.

Een ven dat aan het dichtgroeien is, ook komt het bos steeds dichter bij de venoever

Werken aan herstel

De volgende stap in het proces is het doorvertalen van de bevindingen uit het vooronderzoek naar een plan van aanpak; het maatregelenplan. De gekozen (herstel)werkzaamheden zijn waar mogelijk gefocust op het wegnemen van de oorzaken.

Het aanpakken van verdroging

We kunnen niet regelen dat er meer neerslag valt of dat dit gelijkmatiger gebeurt. Maar we kunnen er wel voor zorgen dat het beschikbare water langer in het gebied behouden blijft. Als we te maken hebben met een regionale situatie waarbij de grondwaterstand zakt, dan kan een gebiedsgerichte aanpak onderdeel van het herstelplan zijn. Bijvoorbeeld door samen te werken met waterschappen en eigenaren van omliggende gronden. Maar ook lokale maatregelen kunnen al veel doen. Zoals het dempen of verondiepen van sloten, het plaatsen van duikers of dammen, het weghalen van bomen rondom het ven of het omvormen van naaldbos naar loofbos.

Maatregelen tegen verzuring en vermesting

De grote hoeveelheid stikstof die in vennen terechtkomt, vraagt natuurlijk eerst en vooral om maatregelen aan de bron. Niet iets dat we in een project met maatregelen kunnen oplossen. De uitstoot is ook niet van de ene op de andere dag terug te brengen naar een acceptabel niveau. Met gerichte herstelmaatregelen kunnen we de effecten van verzuring en vermesting gelukkig wel tijdelijk opheffen of verzachten. Bijvoorbeeld door kalk of steenmeel te verspreiden op de venoevers. Of door bos te verwijderen en zo bladinval te verminderen. Ook het herstel van de waterhuishouding kan helpen, omdat de buffercapaciteit daardoor verbetert.

Voor vennen met een zandbodem kan het soms nodig zijn om het slib op te ruimen door te baggeren. Dit doen we alleen als het echt niet anders kan, bijvoorbeeld om pioniervegetaties met oeverkruid en waterlobelia te herstellen. Een grote kraan haalt dan de sliblaag van de venbodem af, waarna deze afgevoerd wordt met vrachtwagens. Een enorme klus met een grote impact op de venomgeving.

Maatregelen om verbossing tegen te gaan

Bij verbossing kiezen we doorgaans voor het verwijderen van bomen en struiken die te dicht op de venoever zijn gegroeid. Soms is het nodig om ook te plaggen om overtollig materiaal weg te halen en de omgeving van het ven te herstellen. Zo ontstaat weer een mooie overgang van het ven en de oever naar de natte en droge heide rondom het ven. Pas daarna komen de bosrand en het bos.

De aanpak van invasieve exoten

“Als het gaat om invasieve exoten die een bedreiging vormen, dan weten we inmiddels dat het vaak niet haalbaar is om ze helemaal weg te krijgen”, vertelt Rob. “In het project LIFE Resilias, werken we samen met stichting Bargerveen aan manieren om het ecosysteem te versterken om de vennen zo weerbaar te maken tegen dit soort invasieve exoten. Bijvoorbeeld door gewenste inheemse soorten in te brengen of te stimuleren die kunnen concurreren met invasieve soorten. Zo neemt de veerkracht toe, wat dominantie van exoten op termijn kan voorkomen. Zonnebaars is bijvoorbeeld veel minder schadelijk wanneer snoeken de aantallen in toom houden, terwijl watercrassula minder dominant lijkt te zijn als het met oeverkruid moet concurreren”.

Door het opschonen kunnen het ven en de oever zich weer optimaal ontwikkelen. Dat draagt niet alleen bij aan het behoud van deze bijzondere biotoop, maar het betekent ook kansen voor allerlei flora en fauna

‘Het nieuwe normaal’

Het is overigens niet altijd nodig om het ven weer helemaal in de oude situatie te herstellen. En dat is ook niet per definitie het primaire doel. Bijvoorbeeld omdat er inmiddels nieuwe waardevolle flora en fauna aanwezig zijn, die je ook wilt koesteren. Je gaat dus eigenlijk op zoek naar het ‘nieuwe normaal’ voor het betreffende ven. Een balans, waarin het ven tot ontwikkeling kan komen en de gewenste soorten hun plekje in het ecosysteem kunnen hervinden of behouden.

Monitoren en beheren

Het monitoren van de effecten van de verschillende maatregelen is ook een belangrijk onderdeel van de herstelprojecten. Niet alleen om te volgen hoe de maatregelen uitpakken, maar ook om waar nodig bij te sturen in het toekomstige beheer van het gebied. In het duurzame herstel dat we voor ogen hebben, is goed opvolgbeheer heel belangrijk.

“Dat alles maakt venherstel ook zo boeiend”, vertelt Tim enthousiast. “Het is zo divers en je hebt een heel palet aan mogelijkheden. Van het herstellen van de hydrologie en buffering, tot het vrijleggen van een nog aanwezige zaadbank, zodat ‘een verloren’ soort weer kan terugkeren”.

“Maar het allermooiste van herstelprojecten is toch wel als we na verloop van tijd zien dat al die inspanningen hun effect hebben”, vult Rob aan. “Dat we zo’n ven weer letterlijk en figuurlijk zien opbloeien. En we tijdens één van de monitoringsbezoeken stuiten op een bijzondere soort die de weg naar het ven weer heeft weten te vinden. Omdat het ven zich mede dankzij de herstelmaatregelen heeft kunnen herstellen en de omstandigheden daardoor fors verbeterd zijn”.

De venherstelprojecten die we realiseren, zijn doorgaans mogelijk gemaakt dankzij de medewerking van onze leden en de financiële steun van provincies en/of de Europese Unie.

labels:

gerelateerd