Extraatje voor nieuwe bomen en struiken bij experimentele aanplant Papenvoortse heide

Publicatiedatum: 15 april 2022

In het bosbeheer speelt de aanplant van jonge bomen en struiken een belangrijke rol. Maar door klimaatveranderingen en de problemen waar menig bosbodem mee te maken heeft, zijn de omstandigheden om aan te planten vaak niet zo ideaal. Dat roept de vraag op wat er mogelijk is om de aanplant een zo goed mogelijke start te geven. Op de Papenvoortse heide kregen de bomen en struiken een extraatje mee.

“Je kunt het zien als een soort van vipbehandeling”, begint Martijn Griek zijn verhaal. Als projectmedewerker bij Bosgroep Zuid Nederland werkt hij nauw samen met de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten aan het beheer van de gemeentelijke bos- en natuurterreinen. Onder andere op de Papenvoortse heide.
“De nieuwe aanplant is ontzettend belangrijk in het bosbeheer”, benadrukt Martijn. “Daarmee bouw je immers aan het bos van de toekomst. Deze experimentele aanplant op de Papenvoortse heide hield in dat de jonge bomen en struiken een extraatje kregen bij het planten. Door verschillende toepassingen te proberen, krijgen we meer inzicht in de meest ideale startsituatie voor aanplant.”

Extraatje bij de start; een toevoeging in het plantgat

“Het unieke van deze experimentele aanplant is dat we gericht kijken naar de mogelijkheden om een betere uitgangspositie te krijgen voor de aanplant om de kans op succes te vergroten”, vult Martijn aan. “Een versnelde positieve bodemontwikkeling is een interessante mogelijkheid om de zeer zure en arme bodem dusdanig te verrijken, dat de aanplant betere kansen krijgt. Een groot deel van de planten binnen dit experiment heeft bij de aanplant een ‘extraatje’ meegekregen, in de vorm van een toevoeging in het plantgat. Een nutriëntengift, waarbij afwisselend de volgende toevoegingen zijn gebruikt: kalk, kleikorrels, verschillende mineralen of organische stof.” Er waren vijf opties.

  • Optie 1: standaardmix van kalk, kieseriet en thomaskali
  • Optie 2: mix van mineralen, waaronder groenkalk en andere bodemverbeteraars
  • Optie 3: bentoniet (een in de natuur voorkomende natrium-kleisoort)
  • Optie 4: schimmeldominante compost
  • Optie 5: controle, geen toevoegingen

“Per soort hebben we gevarieerd”, vertelt Martijn verder. “De ene linde heeft bijvoorbeeld een andere nutriëntengift gekregen dan de andere linde. Hierdoor kunnen we monitoren welk ‘extraatje’ het beste helpt om de aanplant de eerste kritische jaren van groei en overleving beter door te laten komen. Door daarnaast een controleoptie toe te voegen, kunnen we op termijn ook zien wat het verschil is als er geen toevoeging is gegeven.”

 

Kalkkorrels waren één van de drie mineralen in het extraatje ‘standaard mix’ dat is gebruikt. Naast de kalk bestaat deze mix ook uit kieseriet en thomaskali (Bron: Martijn Griek)

Grotere exemplaren

Bij dit experiment is ook gekozen voor grotere planten dan vaak gebruikelijk is. “Zo hebben we jonge bomen geselecteerd die al een hoogte van zo’n 150 tot 200 centimeter hebben”, vervolgt Martijn zijn verhaal. “Het gaat om de soorten winterlinde, zoete kers, haagbeuk, grauwe els, gewone esdoorn, tamme kastanje, fladderiep en boomhazelaar. Om de planten te beschermen tegen vraat door wild en het schuren van reeën, is er op de nieuwe aanplant wildbescherming aangebracht en zijn er twee bamboestokken bij geplaatst.”

Belang van de bodem in het bosbeheer neemt toe

De focus in het huidige bosbeheer ligt al geruime tijd op biodiversiteit en kleinschalige structuren met een variatie aan boomsoorten, verschillende leeftijden en meer gelaagdheid van het bos. De laatste decennia is daar een essentieel aandachtspunt bijgekomen: de bosbodem. De invloed van bomen en struiken op de bodem- en bosontwikkeling staat daarbij centraal.
“Problemen met de bodem in natuurgebieden zijn overigens niet nieuw, maar er komt gelukkig wel steeds meer aandacht voor”, vertelt Martijn. “Door verzuring, vermesting en verdroging weten we dat de bodem het moeilijk heeft. Zo zagen we in de jaren tachtig veel negatieve gevolgen van de zure regen en momenteel is vooral de hoge stikstofdepositie in combinatie met de verdergaande verzuring een probleem. Ook is bekend dat de soortensamenstelling van het bos invloed heeft op de bodem. Veel van de soorten die nu in het bos staan produceren zuur en moeilijk afbreekbaar bladstrooisel. Hierdoor hebben ze geen positieve invloed op de toch al steeds verder verzurende bodem. Veel bodemdieren die een cruciale rol spelen in de bodemgesteldheid kunnen zo niet overleven. Denk bijvoorbeeld aan wormen die een cruciaal onderdeel van het ecosysteem zijn. Bomen en planten krijgen last van tekorten aan mineralen, met als gevolg dat ze slechter groeier of zelfs afsterven. Deze kwetsbaarheid wordt ook nog eens versterkt door de klimaatverandering met steeds langere drogere perioden en hogere temperaturen”, legt Martijn uit.

Een van de groepen die op de Papenvoortse heide is aangeplant, in dit geval haagbeuk (Bron: Martijn Griek)

 

Aanplant als onderdeel van bodemverbetering en bosontwikkeling

Het is dus belangrijk om zowel de kwaliteit van de bodem als de soortensamenstelling en de bosontwikkeling te verbeteren. Om dat voor elkaar te krijgen is enkele jaren geleden gestart met het aanplanten van boom- en struiksoorten die juist een verbeterend effect hebben op de bodem. Dit zijn vaak soorten die nu niet of nauwelijks voorkomen in het bos, maar er ooit wel stonden. Denk hierbij aan soorten als haagbeuk, gewone esdoorn, zoete kers, winterlinde, veldesdoorn, hazelaar en Europese vogelkers.
“De meeste van deze rijkstrooiselsoorten hebben de waardevolle eigenschap dat ze mineralen en kalk uit de diepere lagen van de bodem halen”, vertelt Martijn verder. “Met het vallen van de bladeren brengen ze die waardevolle voedingsstoffen terug in de ‘kringloop’ van het bos. De bodem kan hierdoor herstellen, ontwikkelt een betere humuslaag, houdt vocht beter vast en zal uiteindelijk minder zuur worden. In het beheer van de bossen van de gemeente Nuenen is daar ook veel aandacht voor. Vandaar de keuze om veel bomen en struiken te planten met een rijk strooisel.”

Terug naar de oorspronkelijke grotere diversiteit

Voorheen waren de Nederlandse bossen veel rijker dan nu, met een grote diversiteit aan boom- en struiksoorten. Door invloeden van de mens is de bosontwikkeling de afgelopen eeuwen echter sterk veranderd. Denk aan (grootschalige) kap van bomen en begrazing. In de negentiende eeuw ontstonden er daardoor grote aaneengesloten open gebieden met veelal heide en enkele bomen. Vervolgens verarmde de heide ook, door begrazing en het steken van heideplaggen voor potstallen en de bemesting van akkers. Hierdoor ontstonden grote aaneengesloten stuifzandgebieden. Vooral in de eerste helft van de twintigste eeuw startte de herbebossing van de stuifzanden en de heide, waarbij men vaak koos voor het aanplanten van grove den. Dit was vrijwel de enige soort die wilde groeien op de arme bodem. Bovendien was het hout uitermate geschikt voor onder andere de mijnbouw. Later plantte men ook soorten als Amerikaanse eik, douglasspar, Corsicaanse den en Japanse lariks. De inlandse eik en berk zijn ook regelmatig terug te vinden, net als de struiksoorten lijsterbes, vuilboom, de uitheemse Amerikaanse vogelkers, afgewisseld met hulst en taxus. Het huidige Nederlandse bos bestaat daarmee veelal uit relatief weinig boomsoorten ten opzichte van vroeger.

“Dat beeld zien we dus ook terug in de Nuenense bossen”, legt Martijn uit. “Dit zijn de typische eerste generatie heidebebossingen en om hier de gewenste bosontwikkeling te realiseren, is een innovatief bosbeheer onmisbaar.”

 

Naast het nutriëntenextraatje heeft de nieuwe aanplant ook de nodige bescherming gekregen tegen wild. Dit is een wezenlijk onderdeel van de strategie als de wilddruk in het gebied hoog is. Het witte spul op de stam is een soort pasta die de bast beschermt tegen vraatschade. De bamboestokken helpen veegschade te voorkomen (Bron: Martijn Griek)

Zorgvuldig volgen hoe het gaat

De effecten van de toevoegingen in de plantgaten worden door Bosgroep Zuid Nederland nauwkeurig vastgelegd en gevolgd. “Die monitoring levert waardevolle kennis op en geeft meer inzicht in welke mineralen en nutriënten voor de planten de beste keuze zijn om een goede start mee te geven”, vertelt Martijn verder. “De komende jaren zullen we zien wat de inspanningen van dit plantexperiment hebben opgeleverd.”

Dit artikel is ook verschenen op Nature Today

labels: , , , ,

gerelateerd