Eerste fase ‘POP3-nachtvlindermonitoring’ afgerond

Publicatiedatum: 27 augustus 2018

Via de POP3 projecten werken we in Brabant aan een kwaliteitsimpuls van droge bossen op de arme, verzuurde zandgronden. Door de inbreng van boom- en struiksoorten met goed afbreekbaar bladmateriaal (‘rijkstrooiselsoorten’) en door het toepassen van steenmeel, verwachten we een positief effect op de strooisel- en bodemkwaliteit te realiseren en daarmee op de biodiversiteit. 

Tientallen meetlocaties

Om de effecten van het inbrengen van rijkstrooiselsoorten en het toepassen van steenmeel goed te kunnen meten, verrichten we op tientallen boslocaties metingen aan een groot aantal biotische en abiotische parameters. Nachtvlinders zijn een van de soortgroepen waarvan we de ontwikkeling volgen. Nachtvlinders zijn een belangrijk onderdeel van de biodiversiteit in bossen. De rupsen van nachtvlinders zijn van cruciaal belang voor insectenetende vogels, terwijl de vlinders zelf veel worden gegeten door bijvoorbeeld vleermuizen. Nachtvlinders reageren snel op veranderingen in hun leefomgeving en de meeste soorten kunnen we relatief makkelijk vangen, doordat ze ’s nachts op licht afkomen. Dit maakt nachtvlinders tot een geschikte soortgroep voor biodiversiteitsonderzoek in bossen.

Hoe werkt dat, een monitoringsonderzoek?

Een lichtval

In juni 2018 is in samenwerking met De Vlinderstichting gestart met een nulmeting. Op 20 boslocaties worden óf rijkstrooiselsoorten aan de bosopstand toegevoegd, óf passen we steenmeel toe, óf er gebeurt juist niets (controleplots). Deze locaties bevinden zich in natuurgebieden in de Kempen, de Regte heide, Strabrechtse heide en de Maashorst.

In het vlinderseizoen vangt het team eenmaal per maand met behulp van een lichtval zoveel mogelijk nachtvlinders op de verschillende locaties. Een lichtval bestaat uit een emmer met een trechter, plexiglas schotjes en een blauwe LED-strip, een accu en een lichtsensor. Nachtvlinders komen af op het UV-licht van de LED-strip, botsen tegen de schotjes en vallen in de emmer. Daarin zit een eierdoos, waarin de vlinders zich kunnen verstoppen.

Veilig verstopt in de eierdoos

De volgende ochtend worden de vallen geleegd, noteren we de namen van de nachtvlinders waarna we ze tellen. Vervolgens worden de vlinders weer vrijgelaten. Het onderzoek richt zich primair op de grotere nachtvlinders, die ‘macronachtvlinders’ worden genoemd, maar de ‘micronachtvlinders’ noteren we ook.

De eerste resultaten

Na drie vangronden (juni, juli en augustus 2018) zijn in totaal precies 100 soorten macronachtvlinders genoteerd en 51 soorten micronachtvlinders. De meeste soorten komen algemeen voor in bossen, of in allerlei biotopen. Maar er zijn ook enkele schaarse soorten vastgesteld, zoals gele snuituil, paddenstoeluil, late heide-uil en grijsbandspinner.

De grijsbandspinner

De dennenpijlstaart

 

 

 

 

 

 

 

In 2019 zal het team de voorjaarsvlinders bemonsteren, door middel van een vangronde in april en mei.
Daarna volgt een aantal keer een herhaling van het nachtvlinderonderzoek, waarna we de resultaten vergelijken met de nulmeting. We zijn erg benieuwd welke verschillen zich gaan aftekenen tussen de verschillende behandelingen van de locaties en wat dit zegt over de effecten van rijkstrooiselsoorten en steenmeel op de biodiversiteit van bossen.

Klik hier voor meer informatie over de POP3 projecten.

De POP3 projecten worden mede mogelijk gemaakt door de provincie Noord-Brabant en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling: Europa investeert in zijn platteland!

labels: , ,

gerelateerd